Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Noorse esdoorn (Acer platanoides), Hazelaar (Corylus avellana), Zwarte els (Alnus glutinosa) en Zomereik (Quercus robur) zijn in Nederland allemaal algemeen.
Nog meer inheemse bomen: Boswilg (Salix caprea), Gele kornoelje (Cornus mas), Es (Fraxinus excelsior), Winterlinde (Tilia cordata) en Zomerlinde (Tilia platyphyllos).









Opvallend veel van onze inheemse struiken zijn witbloeiend, zoals Rode kornoelje (Cornus sanguinea), Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) en Dauwbraam (Rubus caesius).
Bij Klimop (Hedera helix) vallen in september de bolvormige groene bloemen vooral door hun gele meeldraden op. Omdat veel andere planten dan inmiddels zijn uitgebloeid, worden ze dankbaar door bijen en andere insecten bezocht – en ook door Hoornaars, zoals op de foto te zien.








Zoals alle planten hebben ook bomen en struiken qua groeiplaats ieder hun voorkeur. Zo groeit Zuurbes (Berberis vulgaris) alleen in kalkhoudende bodem, terwijl Lijsterbes (Sorbus aucuparia) en de dwergstruik Kruipbrem (Genista pilosa) van kalk juist niet gediend zijn. Binnen Nederland groeit de eerste dan met name in Zuid-Limburg, terwijl de andere in zandgrond op bijvoorbeeld de Veluwe voorkomen.
Niet alleen qua bodemgesteldheid maar ook qua vocht- en lichtbehoefte heeft iedere soort zijn behoeften. Veel bomen en struiken kunnen nogal wat schaduw verdragen, juist omdat ze het zelf scheppen. Maar vooral kleine struiken en ook de meeste klimplanten willen graag meer licht, zoals de Kruipbrem in de tuin goed laat zien. Deze soort kan ook relatief goed tegen de droogte. De meeste grotere bomen willen het liever niet te droog hebben – maar ook niet te nat. Behalve Zwarte els en sommige wilgsoorten zijn er in Nederland weinig boomsoorten die van ‘natte voeten’ houden.



Struiken en slingerplanten dragen op vele manieren bij aan de aantrekkelijkheid van een natuurtuin. Zo geven de bonte bloemen van de slingerende Bitterzoet (Solanum dulcamara) in de herfst een fleurig accent, terwijl de snelgroeiende Vlinderstruik (Buddleja davidii) de hele zomer (dag)vlinders aantrekt. Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) is niet alleen voor (nacht)vlinders aantrekkelijk, maar met zijn op zwoele zomeravonden zoete geur ook voor mensen...







Het zijn niet alleen bloemen die de natuur een bont palet aan kleuren geven. Ook vruchten en bladen dragen hun steentje bij.
Met hun haast kermisachtige combinatie van oranje en zuurstokroze zijn de vruchten van Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) wellicht de allerbontste verschijning in de Nederlandse natuur – en dat voor een struik met zulke bescheiden bloemen.
Heel wat subtieler zijn de jonge bladen van Haagbeuk (Carpinus betulus), die in het voorjaar een hele reeks tinten tussen rood en groen doorlopen.
En soms is ‘geen kleur’ juist het mooiste, zoals bij berijpte bladen...



Sporkehout of Vuilboom (Rhamnus frangula) groeit graag op venige bodem en kan best wat nattigheid verdragen. De nauw verwante Wegedoorn (Rhamnus cathartica) heeft het liever wat droger. Opvallend voor twee soorten uit hetzelfde geslacht: de takken en bladen van de eerste staan verspreid, terwijl die van de tweede juist tegenover elkaar staan.
Terwijl de vorige twee soorten op geschikte groeiplaatsen in Nederland niet zo zeldzaam zijn, geldt dat niet voor Weichselboom of Rotskers (Prunus mahaleb). Van oorsprong een struik uit meer zuidelijke streken, wordt deze wel eens in tuinen en parken aangeplant, van waaruit ze soms verwildert. In de duinen is ze op sommige plaatsen volledig ingeburgerd. Haar natuurlijke verspreidingsgebied begint ten zuiden van Maastricht in België al.
Hulst (Ilex aquifolium) wordt van oudsher nog veel meer aangeplant, en de vruchten worden ook wel door vogels verspreid. Toch komt deze soort ook in loofbossen op veel plaatsen in Nederland van oorsprong wild voor.




Door de eeuwen heen hebben rozen botanisten altijd voor uitdagingen gesteld, want het is vaak moeilijk te bepalen tot welke soort een bepaalde plant nu precies behoort. Onder rozenspecialisten is er namelijk onenigheid over waar de ene soort begint en de andere eindigt.
In de laatste druk van de Heukels Flora van Nederland worden negen soorten onderscheiden. Daarnaast hebben ze soorten die veel op elkaar lijken ondergebracht in groepen zoals de Egelantierrozen-groep en de Hondsrozen-groep. Determinatie is dan vaak specialistenwerk.
Veel van deze rozen zijn nu helaas uiterst zeldzaam – reden te meer om ze in het veld secuur op naam te brengen! Daartoe moet men niet alleen de bloemen, bladen en stekels (geen ‘doornen’!) goed bekijken, maar vooral ook de bottels.
Hondsroos (Rosa canina) is de algemeenste roos van Nederland, Egelantier (Rosa rubiginosa) een vrij algemene roos met enige voorkeur voor een kalkhoudende bodem. De bottels van Egelantier hebben kenmerkende lange kelkbladen, die zwaar beklierd zijn.
Viltroos (Rosa tomentosa) is een zeldzame roos die nog op een klein aantal plaatsen in Nederland groeit. De plant dankt haar naam aan de viltige bladen.






Opvallend veel struiken met sappige vruchten behoren tot de rozenfamilie, behalve de rozen zelf onder andere de diverse soorten pruim, appel, peer, abrikoos, perzik en braam. Ook de Zuid-Europese Peerlijsterbes (Sorbus domestica) heeft smakelijke vruchten, waarvan men jam kan maken – dit in tegenstelling tot de verwante, in Nederland wild groeiende, Lijsterbes (Sorbus aucuparia), met zijn alleen voor vogels aantrekkelijke vruchten.
In de vruchttijd hangen veel struiken vol sappige bessen, die bij rijping vrijwel altijd rood, oranje, paars of zwart worden. Groene en gele bessen zijn doorgaans nog onrijp.
Maar zoals kinderen van verstandige ouders te horen krijgen: lekker uitziende bessen mogen lang niet altijd worden gegeten! Net als bij paddenstoelen is het oppassen geblazen. In ons land wellicht de enige uitzonderingen zijn Bramen (Rubus fruticosus) en Frambozen (Rubus idaeus), die door hun kenmerkende vorm gemakkelijk te herkennen zijn.
Maar verder afblijven! Dat geldt vooral voor Bitterzoet (Solanum dulcamara), lid van de beruchte nachtschadefamilie, en in mindere mate voor Wilde liguster (Ligustrum vulgare). De besjes van Gelderse roos (Viburnum opulus) zijn niet giftig, maar ook niet lekker.
Nog meer (toekomstige) vruchten van de struiken en klimmers in de Tuin van Sjef – ”toekomstig”, omdat sommige soorten nog jong zijn (de foto’s zijn dan ook elders genomen).
Taxus (Taxus baccata) wordt wegens de giftige bessen ook wel Venijnboom genoemd. De berijpte vruchtjes van Dauwbraam (Rubus caesius) lijken sterk op ‘gewone’ bramen maar smaken wrang. Wél eetbaar zijn de vruchten van Mispel (Mespilus germanica), een lage boomsoort die nu vooral in het oosten en zuiden van Nederland groeit, maar vroeger een groter verspreidingsgebied had.









Gele kornoelje (Cornus mas) bloeit vroeg, meestal in februari, maar op 29 december 2015 stond één van onze struiken al volop in bloei. Zoals bekend, leidt de klimaatverandering tot een vervroeging van de gemiddelde jaarcyclus.

