Achter het woonhuis heeft Sjef een klein gemengd bosje aangelegd met allerlei boom- en struiksoorten, die niet alleen voor schaduw zorgen maar ook voor een humuslaag waarin bos- en zoomplanten zich goed thuis voelen.
Hier groeien onder meer Kruipend zenegroen (Ajuga reptans) en Gewoon speenkruid (Ficaria verna ssp. verna), een bijzondere vorm van Grote maagdenpalm (Vinca major var. oxyloba) met smallere, spitsere kroonblaadjes, Ruig klokje (Campanula trachelium) met haar behaarde bloemen en Klimopbremraap (Orobanche hederae).
Klimopbremraap leeft geheel parasitair op de wortels van de klimop. De plant bezit geen bladgroen en moet zijn voeding derhalve elders halen.





Eén van de waardevolste aspecten van de Tuin van Sjef zijn de mogelijkheden die het biedt voor planten en dieren die het in het wild moeilijk hebben. Bijna 40% van de inheemse Nederlandse flora wordt vandaag in min of meerdere mate bedreigd.
Boswalstro (Galium sylvaticum), met haar fijne bloeiwijze, is in Nederland helaas reeds uitgestorven. De soort is wild voor het laatst in 1978 gevonden. In de tuin zaait ze zich de laatste jaren uit, en groeit onder andere uitbundig aan de schaduwzijden van de stenige, kalkrijke bulten in de voortuin.
Bosboterbloem (Ranunculus polyanthemos ssp. nemorosus) groeide vroeger hier en daar in Zuid-Limburg, maar is de laatste jaren tot één enkele locatie beperkt, waar ze nét standhoudt. In de Tuin van Sjef weet de soort zich nog steeds te handhaven. De sterk gekromde ‘tandjes’ van het zaad gelden als belangrijk kenmerk bij determinatie.



Onder de Nederlandse bosplanten zijn er opvallend veel wit- en geelbloeiers, zoals Bosanemoon (Anemone nemorosa) en de sterk verwante maar veel zeldzamere Gele anemoon (Anemone ranunculoides), Daslook (Allium ursinum) en Slanke sleutelbloem (Primula elatior).
Nog meer wit en geel bij de bosplanten: Schaduwkruiskruid (Senecio nemorensis) en Duinsalomonszegel (Polygonatum odoratum).






Behalve door haar mooie, volle bloei – nu voor de afwisseling lichtlila! – is Wilde judaspenning (Lunaria rediviva) een aantrekkelijke plant omdat ze ook in de herfst en winter opvalt met haar half doorschijnende hauwtjes die in de zon oplichten. Het is een plant van bosranden waarvan het natuurlijke verspreidingsareaal vlak ten zuiden van Nederland begint. Ze is nauw verwant aan Tuinjudaspenning (Lunaria annua), maar verschilt ervan doordat de bovenste stengelbladen gesteeld zijn en de zilverige vruchtschijven langwerpiger, met spitse top.


Gevlekte aronskelk (Arum maculatum) heeft van alle inheemse planten wellicht de allergrootste bloeiwijze – en zeker één van de vreemdste. Je ziet een groot schutblad dat om de kleine bloemen op de bodem van de kolf staat. De verwante Italiaanse aronskelk (Arum italicum), een ‘stinsenplant’ uit zuidelijke streken die in ons land wel eens verwildert, heeft prachtig getekende bladeren.
Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus) en Grote bosaardbei (Fragaria moschata) zijn zeldzame planten.





De meeste bosplanten bloeien vroeg in het jaar, maar sommige wel heel vroeg. Daarbij horen Sneeuwklokjes (Galanthus nivalis), maar ook het minder bekende Stinkend nieskruid (Helleborus foetidus), een soort die vaak al vóór de jaarwisseling in bloei staat.
Bolletjeskers (Cardamine bulbifera), oorspronkelijk uit Midden- en Oost-Europa, groeit inmiddels al verspreid over ons land. De plant dankt haar naam aan de ‘broedbolletjes’ aan de stengel, die als tweede manier van voortplanting dienen, naast de gangbare methode van zaadvorming.




Het zuidelijke Geel vingerhoedskruid (Digitalis lutea), nauw verwant aan het paarse Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea), vinden we wild in twee Limburgse groeven en verder als ontsnapte tuinplant in de rest van ons land.
Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon ssp. galeobdolon) groeit verspreid door het land, maar vooral in Zuid-Limburg.
Boslathyrus (Lathyrus sylvestris) en Knollathyrus (Lathyrus linifolius) zijn nauw verwant, maar de tweede is in Nederland veel zeldzamer. Deze staat nu in de tuin langs de oever van de grote vijver.



