Ze zijn zo alomtegenwoordig dat ze vaak over het hoofd worden gezien. Maar bij een wandeling door de velden, in het park of langs een rivier zijn het vooral grassen die er groeien. En als we ze als afzonderlijke planten leren kennen, blijken ze veelal een eigen schoonheid te hebben.
Net als andere planten kunnen grassen ons vaak veel over het milieu vertellen waarin ze groeien. Zo is Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum) een soort van open plekken in een kalkhoudend milieu, terwijl IJle dravik (Anisantha sterilis) minder kieskeurig is en op allerlei plekken groeit.
In de Tuin van Sjef telden we recentelijk 24 grassoorten. Het zullen er vast meer zijn. Daar zijn algemene soorten bij, die vanzelf in de tuin zijn beland, maar ook bijzondere grassen die Sjef bewust heeft aangeplant.
Daartoe behoren twee soorten die van een kalkrijk milieu houden en het op de zonnige, stenige helling aan de vijverrand helemaal naar hun zin hebben: de fraaie Bergdravik (Bromopsis erecta) en Blauwgras (Sesleria albicans), die vroeger op een enkele plek in Zuid-Limburg groeide, maar al enkele decennia in ons land is uitgestorven.
Met hun fraai gekleurde meeldraden en andere bloemdelen zijn ze beide tijdens de bloei op hun mooist.
Eenbloemig parelgras (Melica uniflora) groeit in bossen, terwijl het verwante Wimperparelgras (Melica ciliata) meer als plant van open kalkhellingen geldt, net als Bergdravik (Bromopsis erecta). Wimperparelgras komt in Nederland niet wild voor, wel vlak over de Belgische grens ten zuiden van Maastricht.
Vooral in grotere tuinen hebben grassen een hoge sierwaarde. Met hun vaak lange halmen zorgen ze in een briesje voor levendige beweging. Omdat ze vaak een wezenlijk element van de wilde natuur zijn, dragen ze sterk bij aan de natuurlijke sfeer in de Tuin van Sjef.







Net als grassen kunnen zeggen en andere cypergrassen vooral in grotere natuurtuinen fraaie accenten geven. Zo is een heuvel bij de waterval bijna geheel begroeid met Trilgraszegge (Carex brizoides), terwijl er aan de waterkanten andere soorten groeien, waaronder Stijve zegge (Carex elata).
Vooral de grotere zeggen hebben in elk seizoen een ander aanzicht. Tijdens de bloei streelt de ontluiking van stampers en meeldraden het oog, terwijl veel soorten later in het jaar sterk uitlopen en dan gezichtsbepalende elementen vormen.




Met zijn meer dan twee meter lange halmen is Hangende zegge (Carex pendula) de grootste zegge in de tuin. Op de eerste foto is goed te zien dat de bloemen in twee typen gerangschikt zijn. Bovenaan de stengel staan de kleurrijke mannelijke bloemen, met hun verse meeldraden klaar om stuifmeel te verspreiden, terwijl de (hier nog gesloten) vrouwelijke bloemen op de lagere vertakkingen staan. Bij de voorste plant hebben de vrouwelijke aren aan hun einde ook mannelijke bloemen. Deze ‘vermenging’ van bloemen komt wel vaker voor.
Niet alle zeggen houden hun mannelijke en vrouwelijke bloemen in principe gescheiden. De rangschikking van de bloemen is ook een belangrijk determinatiekenmerk. Bij Ruige zegge (Carex hirta) zijn in de voorgrond rijp wordende zaden in de vrouwelijke aar te zien; linksachter de uitgebloeide mannelijke aren.



Een greep uit de andere zeggen in de Tuin van Sjef: Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus), Boszegge (Carex sylvatica), Gewone bermzegge (Carex spicata), Vingerzegge (Carex digitata) en Zeegroene zegge (Carex flacca).





Ook bij natuurliefhebbers die veel planten kennen ontstaat enige huivering wanneer het gaat om grassen, zeggen, russen, biezen en andere ‘sprieten’. Het vereist inderdaad wat oefening voordat men enigszins thuis is in de meer dan 200 inheemse soorten die in deze categorie vallen.
Als vuistregel kan men stellen dat zeggen en andere cypergrassen een driekantige stengel hebben (met als enige uitzondering Bosbies), terwijl dat bij de andere sprieten altijd rond is. Deze familie omvat naast de zeggen een hele reeks planten die zich vooral in nat en venig terrein thuis voelen, zoals Oeverzegge (Carex riparia).
De russenfamilie omvat naast de ‘echte’ russen (Juncus-soorten) ook de veldbiezen, een kleine groep planten die een behaarde bladrand hebben. Een voorbeeld is Witte veldbies (Luzula luzuloides).
Lang niet alle ‘sprieten’ zijn van klein formaat. Zo kan Mattenbies (Schoenoplectus lacustris) wel drie meter hoog worden. Zoals de naam al zegt, werd deze plant vroeger gebruikt voor het ‘matten’, niet alleen van vloerkleden maar ook van manden en stoelzittingen. Ze behoort tot de cypergrassen.


