Op droge, kalkhoudende grond kunnen talloze fraaie planten groeien, waaronder Duifkruid (Scabiosa columbaria), Geel zonneroosje (Helianthemum nummularium) en Voorjaarsganzerik (Potentilla tabernaemontani). Het zijn soorten van schraal grasland, vooral wanneer dat door schapenbegrazing kort wordt gehouden. In Nederland vinden we dergelijke planten vooral op de kalkhellingen van Zuid-Limburg, hoewel ze hier met de jaren steeds zeldzamer zijn geworden.



Bergsteentijm (Clinopodium menthifolium) en Grote graslelie (Anthericum liliago) zijn in Nederland uiterst zeldzame kalkminnende soorten die vrijwel alleen in Zuid-Limburg groeien.
Nachtsilene (Silene nutans) is ook een kalkminnaar. Ze dankt haar naam aan haar omgekeerde dagritme: de bloemen gaan pas bij zonsondergang open en sluiten zich weer als de zon verschijnt. Op de foto’s exact dezelfde bloemenclusters ’s ochtends vroeg en aan het einde van de middag.
Wilde marjolein (Origanum vulgare) is veel algemener. Ze groeit vooral in droog grasland, en is niet aan kalk gebonden. Een soort die het erg goed doet in onze huidige warmere zomers.





Betonie (Betonica officinalis) en Echte gamander (Teucrium chamaedrys) zijn kalkminnende lipbloemigen die in Nederland zeldzaam zijn.
Kleine pimpernel (Sanguisorba minor) behoort tot de rozenfamilie. Hoewel klein, vallen de bolvormige bloemen op door de bonte meeldraden die ver buiten de kelk hangen.

Karthuizer anjer (Dianthus carthusianorum) en Bergseselie (Seseli montanum) zijn zuidelijke soorten die niet aan kalk zijn gebonden, hoewel ze het daar wel naar hun zin hebben. Als laatbloeiers geven ze samen met Bergsteentijm (Clinopodium menthifolium) de tuin in de herfst een extra tintje. Hoewel Sjef vooral inheemse soorten aanplantte, nam hij van sommige soorten wel eens zaden mee uit het buitenland.
